Nazorg 1951

De werkgemeenschap kwam na 19 April dikwijls bijeen om het veldwerk in overleg met de politie te regelen.

Veldoverzicht

Over de stand van de water- en weidevogels in begin April kan gezegd worden dat in bijna alle plaatsen waar naar eieren gezocht kon worden, de vogels groter in aantal waren dan het vorige jaar. Dit was deels een gevolg van de hoge waterstand die zich tot 25 April deed gelden en waaruit de conclusie is getrokken dat de vogels die anders op de ondergelopen landerijen zouden zijn terechtgekomen zich thans op de omliggende droge gronden hadden gevestigd. Naar een schatting van het totaal aantal kieviten kreeg men eenzelfde uitkomst als het voorgaande jaar, doch omdat na het droogvallen van de ondergelopen gebieden ook daar de kieviten nog in grote getale hebben gebroed was het moeilijk, zeer tijdrovend en daarbij zeer onbevorderlijk voor de veldrust om daarna nogmaals te gaan inventariseren. Het is uit de gedane waarneming en zeker verantwoord om het aantal kieviten over 1951 gelijk te schakelen aan het vorige jaar.

Broedresultaat.

Het broedresultaat was in tegenstelling met dat van het vorige jaar weer zeer gunstig. De winterpolder hadden maar weinig last van de wezel en uit de ingewonnen inlichtingen is komen vast te staan dat door het maaien slechts zeer weinig schade aan de vogels of de eieren is toegebracht. De kraaienbestrijding o.l.v. de heer Vollema had een succesvol verloop. De kiekendieven van Princehof gaven de weidevogels in de randgebieden geen gelegenheid om enig broedresultaat te behalen.

De kokmeeuwbeperking werd ook dit jaar weer door 3 erkende rapers betracht. In het begin van deze raaptijd viel in vergelijk met voorgaande jaren een minder grote versoreiding op. Aan het einde van de raaptijd waren bijna alle kokmeeuwen in de daarvoor aangewezen kolonies teruggebracht doch door sabotage van derden, afkomstig uit de Veenhoop werden alle kolonies in ”de Hoge Warren” weer vernietigd.

Schermafbeelding 2016-01-25 om 22.48.39