Nazorg 1960

Veldoverzicht

Hoewel aan het voorjaar van 1960 heus geen strenge winter voorafging bleef vooral de maand Maart vrij koud en guur met sterk overheersende oostenwind. Hierdoor was het moeilijk om spoedig een juist beeld over de gehele vogelstand te krijgen.

De verwachtingen over de vogelstand waren pessimistisch. Immers, de broedresultaten van 1959 van in het bijzonder de kievit waren slecht. Bovendien waren dat jaar door de droge zomer en de droge herfst veel kieviten gesneuveld door de honger en het verkeer. Groot was de opluchting toen bleek dat de kievitenstand in het voorjaar van 1960 beter voorstond dan het jaar daarvoor: een toename van bijna 8 procent.

Schermafbeelding 2016-01-29 om 20.43.42

Voor de bezetting van alle andere soorten weidevogels werd een gelijke stand als in 1959 opgegeven.

Broedresultaten

Bij het einde van de raaptijd was ook de legperiode van de kieviten op een dood punt gekomen. Mede tengevolge van het gure weer dat toen volgde kwam de eierproductie van de kievit niet zo spoedig weer op gang. Pas rond 1 mei werden de nieuwe broedsels van de keiviten gelegd. Uit controle bleek dat het late broeden niet nadelig is geweest voor de kievit. Een ongekend aantal eieren is dit seizoen uitgebroed en zeer vele jonge vogels zijn vliegrijp geworden. We kunnen dan ook zonder enig voorbehoud 1960 tot een zeer goed broedjaar van onze weidevogels stempelen.

Bij de “Bol” heeft dit jaar een zwanenpaar gebroed. Dit is in zeer veel jaren niet gebeurd en daarom werd de komst van deze sierlijke watervogel door de natuurliefhebbers met vreugde begroet. Des te betreurenswaardiger is het dat het eerste legsel van deze vogels door vandalen geheel of of bijna geheel is vernield.

Nestbeschermers

Op de jaarvergadering werd een werkgroep uit de leden samengesteld die zich na de sluiting van de raaptijd met het plaatsen van de nestbeschermers in veeland en en het merken van nesten in voor maaien bestemd grasland zou belasten. Deze werkgroep die uit ruim 20 man bestond heeft tijdens het broedseizoen zeer actief gewerkt. Paarsgewijs hebben zij vele boeren bezocht en waar dit nodig was de algemene vogelbeschermingsgedachte en de voordelen van de practische vogelbescherming naar voren gebrachten natuurlijk het gebruik van nestbeschermers bijzonder aangeprezen. De werkgroep kreeg hierbij veel medewerking van de boeren, maar de groep beschikte over te weinig mankracht om deze zeer tijdrovende bezigheid goed te doen.

In totaal werden 95 nestbeschermers geplaatst waarvan 65 stuks over de nesten van de kievit, terwijl 18 nesten van de grutto , 3 van de tureluur, 7 van de scholekster en 2 van de snip werden beschermd over totaal 357 eieren. Van deze eieren kwamen 296 uit, zodat het resultaat in percenten uitgedrukt 83 % bedraagt.

Besloten wordt 50 nieuwe nestbeschermers te maken. Van het werken met de nestbeschermers is een rapport gemaakt en in ‘Vanellus’ gepubliceerd.