Nazorg 1961

Veldoverzicht

Door minder gunstig weer in de 1ste helft van Maart kwam direct geen overvloed aan eieren maar toch kan 1961 als een vroeg en rijk eieren jaar gelden. Van de kieviten konden zeker 2 legsels worden geraapt. Een bijzonderheid is zeker ook dat er eind Maart al enkele volle broedsels grutto-eieren waren waargenomen. Het aantal teruggekeerde vogels werd gelijk geschat als het vorige jaar. Plaatselijk was er achteruitgang van de vogelstand in de Tuinlanden en omgeving, op “de Roek” en een slechte stand t.z.o. van het voormalige stoomgemaal op Deel. Daarentegen waren  overige gebieden vrij gelijk gebleven met een zeer goede stand in de “Hoge Warren” en in de “Wildlanden”.

Broedresultaten

Het wordt eentonig maar daarom niet minder prettig om te vermelden dat ook 1961 een zeer goed broedjaar is geweest. Uit de rapporten van de Werkgroep en uit vele waarnemingen van gewone leden en anderen is vastgesteld dat zeer veel jonge vogels zijn grootgebracht. In de binnenlanden waar men plaatselijk veel last van de wezel had waren de resultaten belangrijk minder goed. Opmerkelijk was dat er dit voorjaar veel late legsels van de kievit werden waargenomen. Door leden van de werkgroep is vele malen opgemerkt dat vogels die al lange tijd hadden zitten broeden en daarna door een andere oorzaak hun eieren kwijtraakten later opnieuw tot eierleggen kwamen en met succes hun jongen hebben grootgebracht.

Nestbescherming

Schermafbeelding 2016-01-31 om 12.27.22

Nu we twee jaar achtereen nauwkeurig aantekening is gehouden van hetgeen er op het gebied van de nestbescherming in onze Wacht plaats vindt kunnen we ook reeds, zij het dan heel bescheiden, vergelijkend gaan werken. We zien echter eerst naar de eindresultaten en als we deze beschouwen dan komen resultaten en als we deze beschouwen dan komen we tot de overtuiging dat bij deskundig plaatsen van de nestbeschermers de broedresultaten van de weidevogels heel gunstig worden beïnvloed. Bij de tegenwoordige vrij intensieve beweiding, d.w.z. vrij veel vee op relatief weinig land staat het voor ons vast dat gemiddeld zeker minder dan 20 % van de eieren voor stuk trappen door het vee bespaard blijft. Als men daarnaast de uitkomsten van onze actie met de nestbeschermers vergelijkt, waaruit blijkt dat in 1960 83 % en in 1961 76 % van de eieren zijn uitgebroed dan kunnen we tot de ontdekking dat door ons werk 60 % winst gemaakt wordt. Dit wil zeggen dat op elke 100 beschermde eieren er 60 jonge vogels meer komen. Deze wetenschap zal voor de leden van de werkgroep wel voldoende zijn om hierin de beloning voor hun inspanning te zien.

aantalsoortaantal eierenprocent
150kievit57080,5 %
16grutto557,8 %
3tureluur111,5 %
18scholekster628,8 %
1watersnip40,6 %
1waterhoen60,8 %

Van de ze eieren werden er 534 uitgebroed; 174 gingen verloren door : wezel: 56 (7,9 %); vee vertrapt: 35 (4,9 %); onbekend: 24 (3,4 %); uitgehaald door mensen: 18 (2,5 %); roofvogels (17 (2,4 %); verlaten: 11 (1,6 %); niet bevrucht (9 (1,3 %); vogel dood: 4 (0,6 %).

Het totale broedresultaat was 75,4 %, tegenover 83 % in 1960. Grootste verschil zat in de wezel als predator.

Opvallen zaken: de bescherming van een nest van waterhoentje, waarvan alle eieren zijn uitgekomen. Ook een nest van de kievit in een ‘jister’ waar gedurende 14 dagen ruim 40 koeien twee keer per dag werden gemolken werd met succes uitgebroed. Een keivit heeft in augustus nog een legsel uitgebroed.

In Friesland, maar ook daarbuiten heeft het werkvan de Wacht met de nestbeschermers veel waardering gekregen. Enerzijds was men verbaasd dat één Wacht zoveel werk verzette en anderzijds was men versteld dat de Friezen naast het ergerlijke eierzoeken toch ook nog wel iets goeds voor de weidevogels deden.

Het bestuur van de Vogelwacht Grou(w) maakt zich grote zorgen over het in cultuur brengen van het gebied de ‘Hege Warren’. Na het ‘Lege Midden’ dreigt weer een weidevogelgebied te worden opgeofferd aan de moderne landbouw. Er is veel kritiek op de Cultuurdienst in Utrecht.

Schermafbeelding 2016-01-31 om 20.54.37

In aansluiting hierop pleit het bestuur voor behoud van natuur. Mocht er in de toekomst nog eens een monument komen dat het volk herinnert aan de tijden van weleer t.a.v. de instandhouding van de natuur en de strijders daarvoor, dan zou op dat monument de volgende spreuk kunnen komen: “Een volk dat leeft, beware wat het heeft.”