Nazorg 1974

WERKGROEP VOGELBESCHERMING 1974

Allereerst willen wij hier melding maken van het heugelijke feit, dat we er in geslaagd zijn het aantal veldmedewerkers van 70 op 100 te brengen. Hierdoor is het mogelijk geworden de te bewerken rayons te verkleinen, waardoor de taak van onze mensen overzichtelijker en verlicht werd. Toch zal het in de toekomst steeds nodig blijven de Werkgroep met nieuwe mensen aan te vullen, daar er altijd een zeker verloop is. Wij hopen dan ook, dat degenen, die zich door vogel en veld voelen aangetrokken, niet zullen
nalaten zich voor deze zaak aan te melden! Vervolgens kwam er nog een verandering in de werkwijze, die eveneens taakverlichtend was. Werd er voorheen door verschillende kontrôles getracht na te gaan door welke oorzaken bepaal de legsels werden verstoord, thans laten we dit achterwe ge, waardoor tevens de rust in het veld wordt bevorderd.
Hier volgt een overzicht Van de gevonden en beschermde nesten in ons Wachtgebied van 2150 HA in de periode van
26 april tot 1 juni

Schermafbeelding 2016-01-22 om 09.37.39

In te beweiden percelen werd 153 maal gebruik gemaakt van een nestbeschermer met in het algemeen goede resultaten, terwijl 1097 nesten in oogst—percelen met stokken werden aangemerkt. Verder werden nog bewaakt 50 nesten met in totaal 315 eieren van de Meerkoet; 6 – 45 Waterhoen; 1 – onbekend Krakeend; 1 – onbekend Tafeleend; 9 – 30 Veldleeuwerik en 18 – 51 Zwarte Stern. Er waren 7 broedparen van de Torenvalk; 11 Knobbelzwaan; 25 Zwarte Kraai; en 31 van de Ekster in ons Wachtgebied aanwezig. Uit het overzicht blijkt, dat er, evenals vorig jaar, een teruggang van enkele soorten valt te konstateren. Hiervoor is vaak een komplex van faktoren verantwoordelijk. De belangrijkste hiervan zijn wel de klimatologische en de bodemgesteldheid. Wat het eerste betreft, was het dit jaar wel erg ongunstig, daar het begin van de broedtijd werd gekenmerkt door droogte en nachtvorsten, waardoor vele‚ vogels een zuidelijker broedgebied zullen hebben verkozen. Bovendien is in zo’n periode het voedselaanbod niet erg groot.
De tweede faktor hangt nauw samen.met de voor de veehouder helaas onvermijdelijke moderne landbouwmethoden, zoals graslandverbetering en verlaging van het grondwaterpeil‚ welke een drastische verandering in het biotoop (leefomgeving) van de vogels ten gevolge hebben. Dit vereist een grote aanpassing en de toekomst zal moeten uitmaken in hoeverre ze daartoe in staat zijn. Het voedselaanbod wordt hierdoor soms wel groter, maar minder gevarieerd, waardoor soorten als tureluur, kemphaan en watersnìp het moeilijk zullen krijgen en de kievit, grutto en scholekster in minder aantallen broedparen aanwezig kunnen zijn. Ook van heel grote betekenis is hierbij het ontstaan van een mindere gevarieerdheid in de flora, wat automatisch minder variatie in soorten insekten met zich meebrengt. We dienen er dan ook rekening mee te houden, dat de vogelstand ongetwijfeld nooit weer het peil van weleer zal bereiken, hoewel er in de natuur een cyclus wordt onderhouden, die na een bepaalde neergang soms plotseling weer een toename teweeg brengt; Dat het eierzoeken wezenlijke invloed zou hebben op de vogelstand, daarvan zijn wij na jarenlange praktijkervaring niet overtuigd. Dit is voor ons geen reden om deze sport te beknotten. Wel menen wij echter dat om een aantal landbouwtechnische aspekten het aanbeveling verdient de zoektijd met een week in te korten tot 12 april. Verwacht echter niet van deze maatregel een verbetering van de vogelstand; Wij hopen ook dat de wetgever niet verder zal gaan dan deze datum, daar de natuurbescherming hier grotendeels steunt op mensen, die door hun sport “natuurminded” zijn geworden en daardoor gemotiveerd om vrijwillig wel eens de handen uit de mouwen te steken! Uit ervaring weten wij, dat als men niet voldoende bij het natuurgebeuren betrokken is, er van natuurbescherming weinig of niets terecht komt!