Nazorg 1987

Het jaar dat de ‘aaisikerskaart’ zijn intrede doet. Het jaarverslag daarover:

Schermafbeelding 2016-02-10 om 14.35.45

Voor het eerst zal er in 1988 worden gewerkt met de ‘aaisikerskaart’, weliswaar nog zonder wettelijke basis omdat eerst de Flora- en Faunawet moet worden goedgekeurd door het Parlement. Tot zolang is er nog onduidelijkheid over het ‘aaisykjen’. Eind 1986 is er een wetsontwerp dat de tot dan geldende Vogelwet uit 1936 moet gaan vervagen. Deze Wet had in 1981 al aangepast moeten zijn aan de in 1979 gesteld richtlijnen van de Europese Gemeenschap. De vertraging kwam doordat niet de bestaande Wet wordt aangepast, maar werd gekozen voor een geheel nieuwe Wet. Het komt zelfs zover dat de Regering voor het Europese Hof wordt gedaagd. Het punt waarbij de Nederlandse Regering zich moest verantwoorden was het artikel waarin het eierzoeken werd toegestaan tot 13 april met de mogelijkheid deze in te korten.

Schermafbeelding 2016-02-10 om 14.50.07

VELDWERK 1987

De winter duurde tot midden maart. Daarna ging het snel, want op 27 maart werd het eerste kievitsei van Fryslân gevonden bij Siegerswoude. Twee dagen later werd het eerste ei van de gemeente Boarnsterhim gevonden.
De maand april was verbazingwekkend. Met temperaturen oplopend naar 20 en 25 graden en veel zon, haalde het voorjaar z’n achterstand snel in; we waanden ons in de zomer.
Hoe schril was het contrast met mei. De temperatuur halveerde en het was bewolkt, met veel wind en kil. Erger was nog dat deze maandmei representatief bleek voor de rest van het jaar. Juni werd gekenmerkt door regen, juli was redelijk, tussen de buien door.

In juni en augustus werden in de provincie vleermuizen gevonden die een vorm van hondsdolheid hadden.

Inventarisatie van gevonden en beschermde nesten in het broedseizoen 1987 in vergelijking met 1986 aan de hand van de verstrekte gegevens uit 42 rayons.

De grote inzet van 101 vogelwachters en vogelwachtsters en de welwillende medewerking van de veehouders in een gebied van 2384 ha, hebben er toe geleid dat 1500 nesten konden worden beschermd, in 98 gevallen werd de nestbeschermer gebruikt.

Doordat de weersomstandigheden in de broedtijd niet zo gunstig waren zijn er veel jongen verkleumd. Dit kwam waarschijnlijk door het koude en soms natte weertype (een goede overlevingskans hebben ze bij ± 6° C).

Om een goede vergelijking te kunnen maken volgt hier het totaal aantal getelde broedparen van enkele soorten: Kievit 862, Grutto 688, Scholekster 335, Tureluur 179, Kemphaan 8, Watersnip 35. 

Wat hierbij het meest opvalt is het verschil bij de scholekster: 193 getelde broedparen en 335 getelde paren. Dit houdt in dat 152 paren waarschijnlijk niet tot broeden zijn gekomen. De oorzaak hiervan is niet bekend naar in de winter van 1986-1987 zijn veel scholeksters doodgevroren. Het houdt daarom misschien verband net de geslachtsrijpheid‚ die ligt tussen de 5 en 6 jaar. Wij denken dat veel oude vogels de winter niet hebben overleeft en dat veel niet geslachtsrijpe paren aanwezig waren in ons rayon. De kievit, de grutto en de tureluur blijven nagenoeg gelijk; de scholekster daalt bij ons ook (18 %), de kemphaan halveert, net als vorig jaar overigens, zodat er nu nog een kwart is van het aantal broedparen van 1985; de watersnip liep met een derde terug. Zodoende komen we op de volgende broedparen: kievit 862 (825); grutto 688 (628); scholekster 335 (383); tureluur 179 (170); kemphaan 8 (15); watersnip 35 (50).
De veldleeuwerik is weer terug op het nivo van ’85 met een aantal van 55; dat was 119 vorig jaar.