Nazorg 2008

Nazorgresultaten 2008

Weidevogels vormen het speerpunt van de vogelbesclìerming in Friesland. Van oudsher wordt de weidevogelbeschenning hier ‘nazorg’ genoemd. Nazorg, omdat na de sluitingsdatum van het ‘aaisykjen’ de zorg voor een optimaal broedrosultaat ter hand wordt genomen. Deze nazorg heeft betrekking op alle weidevogels. De aan de nazorg voorafgaande korte periode van het gelimiteerd zoeken en rapen van kievitseieren is voor het opdoen van de nodige kennis en betrokkenheid van groot belang, maar het is de bescherming in de meest kansrijke periode waar het uiteindelijk om gaat.

Nazorg vindt plaats op het veelal intensief gebruikte boerenland met zijn vele bedreigingen voor de weidevogelstand. Het spreekt voor zich dat dit steeds zoveel mogeiijk gebeurt in nauw overleg met de betreffende boeren. De meeste Friese boeren dragen de weidevogelpopulatie op hun land een warm hart toe en zien de nazorg dan ook als een welkome steun bij de handhaving daarvan. Al met al wordt er op ca. 154.000 hecteres boerenland nazorg bedreven, waarbij volgens de laatste gegevens rond 57.500 legsels door ongeveer 6ooo nazorgers beschermd worden. De nazorg wordt door de 118 in Friesland aanwezige vogelwachten verricht.

De bescherming kan op diverse manieren geschieden. Zo kunnen er bijvoorbeeld nestbeschermers geplaatst worden in het geval dat er vee wordt geweid. Ook kunnen nesten voorafgaand aan werkzaamheden op het land op een verantwoorde wijze worden gemarkeerd en kunnen nesten zo nodig worden verplaatst.

Boeren dragen in meerdere gevallen hun steentje bij door bijvoorbeeld het uitstellen van de maaidatum en maaien in zogenaamde maaitrappen, waardoor grotere overlevingskansen ontstaan voor de pas uit het ei gekomen kuikens. Na het uitkomen van de eieren is het namelijk beslist nog niet gedaan met het beschermingswerk. Het is juist in de kuikenfase dat de nakomelingen het meest kwetsbaar zijn, waardoor de boeren en de nazorgers elkaar in die periode het meest nodig hebben. Van een ei weet je waar het ligt maar een kuiken dat zich in het hoge gras heeft verstopt is voor je het weet het slachtoffer van de cyclomaaier al iets dergelijks. Ook de predatie door andere soorten eist in deze periode in toenemende mate een hoge tol.

Zoals al vermeld blijft het echter niet bij bescherming alleen. Het aantal broedparen en de resultaten ervan worden nauwkeurig opgetekend, hetgeen jaarlijks leidt tot uitgebreide verslaglegging, die via de provinciale overheid uiteindelijk in de context van het landelijk beeld geplaatst worden. Het is juist daardoor dat de resultaten van de nazorg van groot wetenschappelijk belang zijn

Eerst een korte beschrijving van het weer in het voorjaar van 2008 (met dank aan G. Jallema Jzn.)

Februari: De eerste week van februari verliep zacht en wisselvallig. Daarna was het tot en met de 20ste onder invloed van krachtige rustig. droog en vaak ook zonnig. Aanvankelijk was het daarbij overdag ook zacht, later vrij koud. Vanaf de 21ste kregen depressies vat op het weer en werd het opnieuw wisselvallig en zeer zacht.

Maart: Nat, somber en aan de koele kant. Winterse paasdagen, overvloedige neerslag en minder zonneschijn dan normaal bepaalden het weer. De eerste helt van de maand was het met een overwegend westelijke stroming meestal wisselvallig en vrij zacht voor de tijd van het jaar. Van 17 tot en met 26 maart viel de neerslag vaak in de vorm van sneeuw.

April: Zacht, zonnig en droog. Tussen 7 en 25 april viel slechts vijf mm neerslag en die tweeënhalve week met uitgesproken droog weer zorgde er voor dat de gehele maand te droog uitviel. Gemiddeld is april goed voor 165 uren zon, maar deze voorjaarsmaand kwam uit op 186 uren. In zeven nachten daalde het kwik tot onder het vriespunt.

Mei: Uitzonderlijk warm, zeer zonnig en kurkdroog. In het noorden lag de temperatuur ca. 2 graden boven het langjarig gemiddelde. Gemiddeld over het land viel 38 mm neerslag. De normale maandsom bedraagt 57 mm. in Fryslàn viel gemiddeld slechts 5 millimeter neerslag.

Juni: was niet alleen warm en zonnig. rmar ook opvallend droog. Omdat april en mei ook al gekenmerkt werden door aanhoudende droogte is het neerslaglekort opgelopen tot ruim 200 mm.

Veel nazorgers maken melding van het fei dat de vogels weinig voedsel konden vinden door de uitgedroogde bovenlaag. Gevolg daarvan was dat hierdoor al in de maand mei broedvogels vertrokken.

Hoe zijn nu de totaalresultaten van de nazorg geweest in het jaar 2008 in onze ‘kriten’ van de vier meest gangbare soorten: de kievit, de grutto, de scholekster en de tureluur.

Allereerst het gebied ten zuiden van het Prinses Magrietkanaal: Burstum en Goatum

De kievit en scholekster verloren terrein, de grutto bleef ongeveer gelijk, terwijl het aantal paren van de tureluur wel groeide. Echter ‘predatle was dit jaar een ramp en wordt leder jaar ernstiger’ aldus Thom de Groot, een van de boeren op Goatum. Er zijn weinig kuikens groot geworden. Typerend voorbeeld was de vondst van een dode grutto en drie jongen die bij elkaar lagen.

Op De Burd doet zich de verheugende ontwikkeling voor dat de weidevogels langzamerhand weer terugkeren. Nog in 2007 werd geconstateerd dat de kievit als broedvogel bijna was verdwenen uit De Burd, maar het aantal broedparen steeg, terwijl ook grutto, scholekster en tureluur in aantallen toenamen.

De Wyldlannen, een gebied begrensd door De Alde Feanem, de Folkertsleat, de Geau en de Grêft kende voor alle weidevogels wederom een moeilijk broedseizoen. Ook eendensoorten en zangvogels (veldleeuwerik. kwikstaarten ad.) nemen af, terwijl watersnip en wulp licht toenamen.

Het volgende gebied, lt Hôflan, is het gebied ten noorden van Grou wat verder wordt begrensd door de Wergeasterfeart. de ldaarder Opfeart en Rijksweg A 32.
Ook hier een wisselend beeld: de kievit een lichte daling, de grutto een kleine stijging en de scholekster en tureluur ongeveer gelijk. Dat kieviten een grote voorkeur voor bouwland hebben blijkt uit de melding van een van de nazorgers: waar  vorig jaar op een stuk bouwland zeker 25 paren voorkwamen er dit jaar, nu het land was ingezaaid, er geen enkel paar meer is waargenomen.

Het vijfde gebied, It Leechlân, is het gebied oostelijk van de Wergeasterfeart en verder begrensd door het Prinses Margrietkanaal in het oosten en een lijn getrokken ongeveer vanaf de ingang van de Folkertsleat naar de ldaarder Opfeart.
Hier een forse teruggang van de kievit, een lichte stijging van de scholekster en de tureluur bleef hier gelijk. Verheugendis te meiden dat op een gebied aan de Wergeasterfeart de grutto in dermate aantallen broedde dat er subsidie werd verkregen in het kader van de zgn. ‘vliegende auto’s‘. Alle nesten, op een na, zijn uitgekomen. Maar ook hier is onbekend of de kuikens groot zijn geworden.

De Suorein, ten westen van de spoorlijn en verder begrensd door het Prinses Margrietkanael, het dorp Jirnsum en de Kromme Grou, kende een jaar ongeveer gelijk aan voorgaande jaren. Grote trekker ia hier het centraal gelegen land van I. Miedema. Door een verhoogde waterstand, het laten staan van het water in de greppels, ligt er een waar vogelparadijs.

Het laatste gebied, Goëngahuizen en It Eilân, gelegen ten zuidoosten van Grou. De herinrichting van het oostelijke deel van It Eilân is een aantal jaren geleden algesloten en dit deel laat een lichte stijging zien van het aantal broedparen van de kievit en ongeveer gelijke aantallen van de overige ‘algemene’ vogels. De herinrichting van het westelijk deel wordt nu ook aangepakt. Laten we hopen dat de (weide)vogels het gebied straks zullen weten te vinden.

Het gebruik van nestbeschermers loopt al jaren terug. Werden er in 2006 nog 34 en in 2007 nog 21 stuks gebruikt, in 2008 werden er slechts 10 stuks over de nesten van kievit. grutto, scholekster en tureluur gezet. Ter vergelijking: in de topjaren 1969 en 1970 werden er 346 respectievelijk 371 stuks geplaatst.

Samenvattend kunnen we stellen dat het ‘skrabjen’ is om de populatie weidevogels te handhaven. Vooral de grutto – koning van de weidevogeis – heeft het zwaar, evenals de scholekster. De kievit weet zich (zij het moeizaam) te handhaven.